Leuke lesideeen voor het basisonderwijs van Juf Naomi
Doelgroep: 1/2
Sectie: bewegingsonderwijs
Geschreven door: Juf Marieke


Print-vriendelijke pagina..
Spellessen

Daar zat een klein kaboutertje
Inl. In de zaal liggen allemaal hoepels dit zijn de bomen in het bos. We lopen langs de
bomen in het bos, variatie rennen, huppelen etc. Hoepel bij elkaar leggen dit is een pad
over het pad lopen/ springen
K 1 Zangspel Lied daar zat een klein kaboutertje
K 2 Eeekhoorn kom uit je hol.
Afsl. Waar komt het geluid van het belletje vandaan?

Vos kom uit je hol
Inl. Vrij bewegen 1x slaan is zitten (springen, bevriezen, hoofd naar boven beneden etc.)
K 1 opstelling rij. Achter mij aan lopen. Lied: wie niet lopen wil. Uitbreiden met springen, zitten huppelen etc.
K 2 Basis tikspel Vos kom uit je hol
Afsl. Er wordt ergens een geluidje gemaakt en ze kinderen mogen met de ogen dicht hier heen lopen.

Met trommel en trompet
Inl. In een lange rij lopen 1 voorop wij volgen dit kind. (ik eerst voor)
K 1 Zangspel Lied met trommel en trompet. Eerst één rij achter mij aan, dan achter een ander kindje dan de groep splitsen in 2-en, 3-en 0f 4-en.
K 2 Basis tikspel opstelling. In een rij naast elkaar. Jullie lopen naar mij toe. Als ik mij omdraai en 1x op de trom sla dan staan jullie stil bij 2x ga ik jullie paken
Afsl. Opstelling een rij. Eén kindje zit ervoor. Achter dit kindje gan andere kinderen heel zachtjes zitten. Hoeveel zitten er nu?

Ik heb een mooie bal
Inl. Bewegen met ballen in de ruimte. Op een lijn staan bal omhoog gooien, bal rollen en
ophalen, bal stuiteren, bal laten vallen bal boven het hoofd houden etc.
K 1 opstelling kring. Lied:Ik heb een mooie grote bal. Ik loop in de kring rond en geef de bal an en kindje bij ik kijk wie ik hem geven zal en dan doet hij/zij wat ik heb gezongen.
K 2 Basis tikspel kinderen staan op een lijn. Aan de andere kant ligt een hoepel waar één kind in zit en bij heeft 3 ballen voor zich liggen. De kinderen proberen de bal te pakken en op mijn teken gaat de vos de kinderen pakken. Hoeveel ballen zijn er in het huisje?
Afsl. 1,2,3 wie heeft die bal die mooie bal van goud
Wie heeft de bal:
De kinderen staan op een lange rij; één kind een meter of vier er voor, met het gezicht tegen de muur en gooit een bal naar achteren en zingt: " Eén twee drie , wie heeft de bal, die mooie bal van goud." Eén van de kinderen pakt de bal en houdt hem achter de rug. De andere kinderen houden ook de handen op de rug en zingen dan: "Kijk maar om want ik heb hem al, die mooie bal van goud."
Als je het goed raadt, dan mag je nog een keer, anders mag degene die de bal heeft hem zijn.

Hoofd, schouders, knie en teen
Inl. Mij imiteren. Een arm omhoog etc.
K 1 opstelling kring Lied Hoofd, schouders , knie en teen.
K 2 bij het thema winter, er staat een sneeuwpop op het gras, gras, gras. (melodie er zitten rovers in het bos)
Afsl. Rij opstelling één met de ogen dicht ervoor. Hoeveel kinderen sluipen er weg?

Ik loop mijn weggetje
Inl. Lopen door de ruimte op het ritme van de trom
K 1 Zangspel Lied Ik loop mijn weggetje (eigenwijs blz. 22)
K 2 Ik gooi alle pittenzakken uit een mand en de kinderen moeten proberen ze weer terug te brengen.
Afsl. Opstelling in een rij. Eén lln. ervoor met ogen dicht en in spreidstand. Hoeveel kinderen kruipen er door je poortje?

Ik loop mijn weggetje
Inl. Versje stampen, stampen stamp maar mee. Lopen op het ritme van de trom. In 2-tallen
één loopt de nadere volgt
K 1 Zangspel Lied Ik loop mijn weggetje (eigenwijs blz. 22) Nu meer uitbreiden door elkaar te gaan volgen
K 2 Pittenzakje leggen niemand zeggen.
Afsl. Tik. Tik wie ben ik?

Rijden, rijden, rijden
Inl. We gaan op reis. We gaan lopen, we moeten ergens over heen springen, we gaan met
de auto, we gaan fietsen etc. De kinderen doen de bewegingen na.
K 1 Zangspel Lied rijden, rijden, rijden in een autobus. Eerst in een lange rij, ik voor op. Daarna met hoepels haltes maken en dan mogen de kinderen als de bus stopt instappen.
K 2 Er rijdt een busje op de weg, weg ,weg (melodie er zitten rovers in het bos, bos, bos)
Afsl. Opstelling in een kring. 1 in het midden. Een bellenkrans wordt achter de rug doorgeven. Wie heeft hem.

Thema sneeuw
Inl. We maken een sneeuwpop. De kinderen maken de bewegingen. Met de handen een bal rollen. Zelf gaan rollen, muts op doen, wortel als neus etc. En dan gaan we smelten
K 1 Zangspel Lied We maken een kringetjes van jongens en van meisjes aftelliedje Sneeuwman (blz. 55 eigenwijs)
K 2 Sneeuwballen gooien. Ik gooi alle pittenzakken = sneeuwballen uit een mand en de kinderen moeten proberen ze wer terug te brengen.
Afsl. Wie zit er onder de deken = sneeuw verstopt?

Chauffeurtje mag ik mee met jou
Inl. Rijden in een trein (polonaise) door het speellokaal. Daarna 2 of 3 of 4 rijtjes.
K 1 Zangspel Lied chauffeurtje mag ik mee met jou. Eerst in een lange rij, ik voor op. Daarna met hoepels haltes maken en dan mogen de kinderen als de bus stopt instappen.
K 2 Er worden evenveel hoepels neergelegd als kinderen. De kinderen spelen op het perron. Als er wordt gefloten mag de conducteur ze pakken. De kinderen moeten dan heel snel in de trein (hoepels) gaan zitten
Afsl. Opstelling de kinderen zitten op de streep. De chauffeur zit ervoor. Hij moet raden of de kinderen achter hem zitten of staan.

Thema lente
Inl. Volg moeder eens (juf) Doe moeder eend na.
K 1 Opstelling kring. Eén kindje loopt om de kring en we zeggen het versje zeven kleine eendjes (eigenwijs blz. 61)
K 2 De kinderen staan achter een streep. Van hoepels is een kring gemaakt. Dit is de vijver. Hier zit een eend in. De kinderen gaan de eend brood geven. Als de eens KWAK zegt, dan gaat hij de kinderen pakken.
Afsl. Eén kind heeft de ogen dicht en moet voelen wie er voor hem staat.

Thema sinterklaas
Inl. Alle kinderen krijgen een stok en lopen als Sinterklaas met de staf. Maar als ik zeg zwarte piet dan doen ze rare dingen met de staf.
K 1 Versje klik klak (eigenwijs blz. 51) wordt opgezegd. De kinderen doen de stok tussen kun benen. Dit is het paard. Ze lopen met het paard op het ritme van het versje.
De kinderen lopen nu met hun gezicht van een kindje af Dit kindje gaat zich verstoppen. Bij "Daar" maakt het kindje een geluidje de kinderen wijzen waar het vandaan komt en draaien zich dan om.
K 2 Basistikspel. De kinderen staan in een huisje gemaakt van banken en moeten Sinterklaas gaan wakker maken.
Afsl. Opstelling kring. Verschillende instrumenten liggen in de kring. Wat is er door een pietje gepikt? Eerst het geluidje nog wel maken, later dit ook weg laten.

Thema sinterklaas
Inl. Zwarte pieten moeten rekken en strekken dit gaan we doen met het liedje Hoofd , schouders, knie en teen.
K 1 Zangspel. Lied Rommele bommele bom (eigenwijs). Opstelling in de kring één kindje is Piet en de andere is sinterklaas.
Piet loopt om de kring terwijl wij het lied zingen. Als het liedje is afgelopen komt Sint het Pietje pakken. Als Piet in de kring is, is hij weer thuis.
K 2 Basistikspel. De kinderen staan in een huisje gemaakt van banken en moeten Sinterklaas gaan wakker maken.
Afsl. Waar hoor je Sinterklaas. Met ritme stokje tikken eerst hard en dan steeds zachter. Waar komt het vandaan? Wijzen.

Thema sinterklaas
Inl. Als je lief bent krijg je speelgoed. Ik maak van jullie speelgoed. Het speelgoed uitbeelden, zoals een pop/robbot (loopt heel stijf) of een auto een fluit een trommel een brandweer auto een bal = springen etc.
K 1 Zangspel. Lied Waggel mannetjes (eigenwijs blz. 96)
K 2 Ik zie een pietje op het dak, dak, dak.
Afsl. Opstelling kring. Eén kindje ligt met de ogen dicht in het midden van de kring en krijgt een cadeautje
= pittenzakje op zijn lijf neergelegd. Waar is het neergelegd? Hoeveel zijn er neergelegd.

De zevensprong
Inl. Lopen in een lange rij, als ik mij omdraai blijven jullie staan (begeleiden met de trom)
K 1 Zangspel Lied Zevensprong
K 2 Moeder, moeder hoe laat is het?
Afsl. Opstelling in de kring. Eén kindje verstop ik, wie is er weg?

Ratten en raven
Inl. Vastgelijmd. Je hand is vast gelijmd aan…… in tweetallen aan elkaar lijmen bijv hand
aan hand, voet aan voet etc.
K 1 Ratten en Raven spel. Ik vertel een verhaaltje als ik rat zeg ga je naar het hokje van de ratten. Daarna naar de raven. (Met pictogrammen ondersteunen) Evt. ook samen proberen.
K 2 Staarten afpakken. Iedereen krijgt een staart= lintje. Die ga ik afpakken. Hoeveel heb ik er afgepakt?
Afsl. Opstelling in de kring. Eén in het midden met de ogen dicht , hoeveel lintje krijg je om?

Les met hoepels
Inl. De lln lopen/huppelen/spingen/kruipen rond in de zaal.
1 sign op handtrom: alleen in hoepel zoals een standbeeld.
2 sign op handtrom: per 2 in hoepel zoals een standbeeld.
3 sign op handtrom: per 3 in hoepel zoals een standbeeld.
K 1 Experimenteren met de hoepels:
Iedere lln heeft 1 hoepel. Ze mogen experimenteren. Goede vondsten worden overgenomen.
uit de hoepel springen:
De lln staan in de hoepel, ze springen voorwaarts en achterwaarts uit de hoepel:
-2 benen
-1 been
-2 benen, met de ogen toe.
Lln staan in de hoepel, ze springen zijwaarts links en rechts van de hoepel.
-2 benen
-1 been
-2 benen, met de ogen toe.
K 2 rondstappen met hoepel
De lln stappen rond in de zaal door de hoepel. Daarna mogen ze proberen te lopen.
handen in hoepel:
De lln zetten hun handen in de hoepel en de voeten uit de hoepel, zo stappen ze rond de hoepel met de voeten. Eerst traag, dan wat sneller.
voeten in hoepel:
De lln zetten hun voeten in de hoepel en de handen uit de hoepel, zo maken ze cirkels rond de hoepel met de handen. Eerst traag, dan wat sneller.
Afsl. Spelvorm: "afvallingsspel".
De lln staan in hun hoepels. De juf neemt van 2 lln de hoepel weg. Wanneer de lln de handtrom horen lopen ze rond, stopt de handtrom dan gaan ze zo vlug mogelijk in een hoepel staan. De lln die geen hoepel meer hebben gaan op de bank zitten. De lln bewegen op het ritme van de handtrom: lopen, stappen, huppelen. De juf neemt telkens een aantal hoepels weg.

Thema heksen
Inl. We gaan vandaag eens een kijkje nemen in het heksenbos. Maar wij mogen daar niet binnen als gewone mensenkinderen, daarom tover ik jullie allemaal om in een heksje.
"Sim Sala bim sala pleks, nu is iedereen een heks"
Sim sala bim sala band, wij zijn nu samen in heksenland"
De kinderen lopen rond in het bos. Als ik sla op de trom lopen de kinderen in het bos. Als ik stop gaan ze snel in een boom staan.
K 1 Heksenketel (dansspetters)
K 2 heks kom uit je hol.
Afsl. Opstelling in een kring. De kinderen in de kring moeten raden of de kinderen buiten de kring op hun bezemsteel vliegen, of dat ze op de grond zitten. Variatie: hoeveel kinderen vliegen er op een bezemsteel.

Groen is gras
Inl. Lied: Boven op de bergen li, li, li, li ,li De kinderen doen na wat de bergen op de
berg doen zoals, klappen, rennen, huppelen, lopen etc.
K 1 Zangspel Lied Groen is gras. Opstelling in een kring
K 2 Basis tikspel met 2 vrij plaatsen. Groep wordt gespitst in tweeën. De ene groep staat op de ene mat de andere op de andere mat. Eerst met mat 1 de vos wakker maken dan met mat twee en daarna tegelijk.
Afsl. Opstelling in een kring. Eén kind uit de groep is geblinddoekt en zit in de kring. In de kring wordt een bal hoorbaar neergelegd. De geblinddoekte moet de bal zoeken.

Met dank aan juf Marieke






Mail Juf Naomi